Een portret

Een profeet die troost brengt (Jesaja 40–55)

Hoe kun je over iemand schrijven die volstrekt anoniem is gebleven? De hoofdstukken 40 tot 55 van het boek Jesaja bevatten een kleine verzameling profetische teksten die duidelijk een literaire eenheid vormen, maar waarvan de auteur achter zijn boodschap is verdwenen. Noch zijn naam, noch zijn woonplaats zijn bekend. We weten alleen dat hij zijn teksten ongeveer heeft geschreven rond het jaar 538 voor Christus, het jaar waarin Cyrus, de koning van Perzië, de Joden uit de Babylonische ballingschap toestond om terug te keren naar hun land. Hij kreeg de naam ‘Deuterojesaja’, omdat zijn gedachtegoed is geïnspireerd op de traditie van de grote profeet Jesaja uit de 8e eeuw voor Christus.

Deze Deuterojesaja moest een absoluut ondenkbare gebeurtenis aankondigen: een heel klein volk, een ‘rest’ van waarschijnlijk niet meer dan 15.000 mensen, zou de woestijn gaan oversteken en een nieuwe uittocht beleven (43:16-21), met als einddoel Jeruzalem. Het wekt nauwelijks verbazing dat de toehoorders niets van zijn boodschap geloofden. Een volk in ballingschap was meestal gedoemd om te verdwijnen, en in de 70 jaar dat die ballingschap al had geduurd, hadden de meeste mensen ongetwijfeld de moed verloren: men ging er vanuit dat het verbond dat God met zijn volk had gesloten, was verbroken; dat God genoeg van hen had.

Met welke argumenten kun je zoveel ontmoediging nog overwinnen? Als God een eeuwige God is, zijn zijn wijsheid en zijn kracht ook letterlijk onuitputtelijk. Zij komen voort uit bronnen waar wij geen weet van hebben (40:27-31). De profeet gebruikt zelfs nog krachtiger beelden: kan een vrouw het kind dat zij droeg vergeten (49:14-15), kan iemand de vrouw verstoten die de grote liefde van zijn jeugd was (54:6-7)?

De eerste woorden van dit boek worden nadrukkelijk herhaald: “Troost, troost mijn volk, zegt jullie God” (40:1). Na een tijd van volkomen verlatenheid, moet het volk ‘getroost’ worden. Dat wil zeggen dat hun situatie zo zal veranderen, dat zij geen klaagzangen meer hoeven te zingen, dat ze weer overeind kunnen komen en opnieuw moed vatten. Ook al is dit volk volkomen ontmoedigd, door zijn troostvolle woorden laat de profeet zien dat er, vanuit Gods hart, toekomst daagt.

Het beeld dat de gelovigen van God hadden, wordt uitgezuiverd door de extreme beproeving van de ballingschap, zoals je dat ook ziet in het boek Job. Als Deuterojesaja over God spreekt, heeft hij het niet over woede, dreiging of autoriteit. Nee, God heeft lief, enkel en alleen omdat Hij liefheeft, omdat Hij liefde is. (43:4; 43:25). Je zou kunnen zeggen dat vanaf nu God niet anders kan dan liefhebben (54:7-10). Als Hij zijn volk hun grond en hun stad teruggeeft, dan zal dat herstel weerklank vinden onder alle volkeren (45:22; 52:10), want Hij is de God van heel de wereld (51:4). In zijn belangeloze keuze voor dit ene volk, in de genadevolle vergeving die zichtbaar wordt in de terugkeer uit de ballingschap, overstijgt Hij het verbond dat Hij zelf met dit volk had gesloten. Cyrus, de koning van Perzië, ontvangt vanaf dat moment de titel ‘gezalfde’, die ‘messias’ betekent (45:1), en het middelaarschap tussen God en mensen wordt toevertrouwd aan een nederige Dienaar.

Deze Dienaar weerspiegelt de kenmerken van zijn God. Hij zal zich niet alleen niet opdringen (42:1-5), maar hij zal zelf getroffen worden door de wanhoop van zijn volk (49:4-6). Als men met hem spot, zal hij dat niet met tegenspot beantwoorden (50:5-6). Steeds luisterend naar God, als de eenvoudigste van alle gelovigen (50:4), zal hij zelfs zo ver gaan dat hij alle ongeloof en schuld die hij ontmoet, zelf op zich neemt (53:12), naar het voorbeeld van de God die zijn volk door alle tijden heen heeft gedragen (46:3-4).

Is het niet wonderlijk dat de woorden van Deuterojesaja al vijf eeuwen vóór de geboorte van Jezus klonken? Het lijkt wel alsof er tussen hen beiden nauwelijks afstand bestaat. Zoals de top van een hoge berg zichtbaar is vanaf een andere top die in feite heel ver weg is. Op grote hoogte lijkt het bijna alsof de één de ander raakt; maar uiteindelijk moet je toch weer naar beneden klimmen en wacht er nog een lange tocht door een mistig dal. Zo was het met het volk Israël na de ballingschap: haar beste vertegenwoordigers hadden helder zicht op Gods bedoeling met hun volk. Maar het duurde nog vele eeuwen vóór dit inzicht doordrong tot in de ziel van heel het het volk. Langzaam maar zeker werden zo hun harten geopend en bewerkt tot goede aarde voor het ontkiemen van het nieuwe zaad dat zij later zouden ontvangen.

Printed from: http://www.taize.fr/nl_article8164.html - 10 December 2019
Copyright © 2019 - Ateliers et Presses de Taizé, Taizé Community, 71250 France